Lingeblog Home
Previous
Next
English
Crt 170122 Lastedit 17-02-27

Jean de Léry naar Rio (maar in 1556)

Ik heb een nieuwe vriend. Hij heet Jean de Léry. Hoewel hij Godsvruchtig is, hij studeerde devoot bij Calvijn zelf in Genève, bevalt hij mij toch zeer. Natuurlijk, op de in die kringen bekende wijze laat hij als hij in gevaar is met handigheid, verve en verstandig nadenken zo weinig mogelijk aan zijn God over, maar weet hij aldus het gevaar te keren dan betuigt hij Hem luidkeels alle eer, zeker als het ernstig genoeg was om Hem te inspireren daarbij menige kameraad tot Zich te nemen. Hij houdt zich angstvallig aan de regel: als je je God mee hebt ben je Hem luidkeels dankbaar, heb je Hem tegen, dan sta je in berusting open voor iedere positieve bedoeling die Hem bij zijn beslissingen moge hebben bewogen.

Maar ik zei het al, dit vind ik een leuke vent, en wel hierom: hoewel hij zich voegt bij de expeditie naar Rio, waar het oerwoud nog recht aan de baai begint, als "missionaris", is het van het begin af duidelijk dat hij dat doet uit interesse en nieuwsgierigheid. Ergo: voor Jan is er meer dan het woord van God. En dat vormt de kern van wat hij met mij, lezer, deelt in zijn reisverslag. Dat is maar goed ook want hij bekent al snel ruiterlijk dat hij noch enige van zijn Calvinistische reisgenoten er in slaagden ook maar één Indiaan te bekeren. En dat verwijt hij ze niet! Zo wordt het eenvoudig hem zijn God te vergeven.

Deze man deugt. En hij heeft antropologische talenten. En hij kan schrijven. En het mooiste is dat hij bij het beschrijven der gewoonten der Indianen zijn Christelijke bril zelden op zet en zowaar regelmatig zijn Indianen in het gelijk stelt en vaak zelfs ten voorbeeld stelt aan de grote massa's der zondaars in zijn vaderland!

Zouden de zondige blanken inderdaad de gronden ontbreken om zich boven de Indiaan verheven te voelen? Wij horen nergens van blanken die Indianen doden, maar elkaar doden ze wel: protestanten, katholieken, ketterse katholieken en ketterse protestanten vermoorden elkaar aan de lopende band. Portugezen en Fransen idem dito. Bij de Indianen is het doden van vijanden (en ze opeten) de centrale sociale activiteit in het leven van de mannen, zoals dat bij hun vrouwen de zorg voor de kinderen en het huishouden (inclusief het bereiden van het mensenvlees) is.  De doelwitten zijn niet religieus gedefinieerd. Het betreft hun traditionele vijanden en alwie aan dezen is geallieerd. Aldus vallen bijvoorbeeld de Tuupinambaults, zelf gealliëerd aan de Fransen, om de haverklap de Margajas, geallieerd aan de Portugezen, aan, en krijgen zo nog wel eens een Portugees te kauwen. Zij worden door Margajas voortdurend getrakteerd op koekjes van eigen deeg, waarbij af en toe, want ze waren nog zeldzaam, een Fransman op het rooster raakte.

Deze regelmatige Indiaanse oorlogen, met hun rituele moord, bereiding en verzwelging worden, Jean de Léry is er zeker van, niet veroorzaakt door wedijver om schaarse begeerlijkheden der natuur. Naar zijn oordeel hebben alle stammen in de wijde omgeving veel meer land dan zij nodig hebben om een leven van overvloed te leiden. Nee, oorlog is traditie, ritueel, principe. Geen twijfel mogelijk. Welke blanke kan verbaasd doen over die conclusie als hij zich maar even realiseert dat men elkaar daar in eigen kring ook om de haverklap vermoordt, terwijl de overvloed toch dezelfde is?

Dit schrijft Jean nu net even niet. Dit ben ik even zelf, maar met een karakteristieke wending die ik van hem heb geleerd omdat hij, zo vaak dat het wel Onze Vaders gaan lijken, vergelijkbare analogieën trekt, waarbij hij er zelfs niet voor terugschrikt vele voorbeelden van kannibalisme onder het Franse volk te beschrijven. Geen enkele blanke - en Jean is er fel op en komt er verbazend vaak op terug - kan uit zelfs de meest weerzinwekkende der Indiaanse gewoonten een eigenwaarde ontlenen. Het is Jean's vrijwel vaste gewoonte om beschrijvingen van mogelijk bij blanken afkeer verwekkende Indiaanse gebruiken af te sluiten met uitgebreide verwijzingen naar vergelijkbare zonden in zijn vaderland. En zo houdt hij zijn lezers in de plooi met een vrijwel ritueel herhalen van deze boodschap: als je geïnteresseerd bent, lees dan mij over de Indianen. Wil je walgen, kijk dan naar jezelf!


... Indiaanse aan het koken ...

De Indianen kunnen geen ijzer bewerken en zelfs geen brons. De Léry vindt het kennelijk vanzelfsprekend. Het blijkt terloops. Mij verbaasde het hogelijk omdat ik weet dat zelfs de meeste negers in die tijd al met ijzer werkten. Deze Indianen leefden nog in hun steentijd. Goud en zilver konden ze smelten, dat was alles. Vergeleken met de negers des te verbazender omdat Indianen bijvoorbeeld wel met een numerieke tijdlijn werkten, door manen te tellen. Het tellen gaat de negers niet zo goed af. Tot vandaag de dag ordenen velen daar het verleden door de gebeurtenissen te koppelen aan grote gebeurtenissen die allen bekend zijn. Zo weet iemand dan geboren te zijn tijdens bijvoorbeeld een grote hongersnood, maar hoe oud hij getalsmatig is zal hij op volwassen leeftijd niet meer weten. Maar ijzer bewerken kunnen ze. Zeker vanaf de achtste eeuw, en op  veel plaatsen in Afrika eerder.

Indianen verbaasden de blanken met het raffinement van hun Steentijd-technieken. Weliswaar hadden ze niet zulke goede kammen, spiegels, messen en vishaken als ze van de blanken konden krijgen, maar de hen aangeboden toenmalige voorlaad-geweren, die ze meteen zo efficient bedienden dat enkele details daarvan door de blanken werden overgenomen, werden na enkele tests afgekeurd voor de oorlogsvoering: het duurde te lang voor opnieuw geschoten kon worden. De vuurwapentechniek bleek inferieur aan een dichtere nadering van de vijand met pijlen (van hout, maar zeer hard en scherp) en ongelooflijk strak gespannen bogen waarmee ze ongehoorde schietsnelheden bereikten. Daarbij hield men de pijlenkoker in de hand die op het hout van de boog staat zodat de trekkende hand onmiddellijk de volgende pijl aan de staart kon grijpen. Zo bereikte men een schietfrequentie die de moderne lezer aan een mitrailleur zou doen denken.

Nee die Indianen waren niet voor de poes. Vijf eeuwen eerder landden de hard ijzeren beulen van Europa, de Noormannen op de kust van Newfoundland en deden een kolonisatiepoging. Binnen de kortste keren dreven ze weer op zee en verkozen de terugkeer naar huis.

Kort nadat de eerste blanken zich in Rio hadden vertoond stuurden de Indianen al eigen mensen op de blanke schepen naar Europa om zich te bekwamen in de metallurgie en de produktie van vuurwapens, maar, inmiddels weten we het, ze maakten er onvoldoende haast mee.

______

Waarin ik getracht heb zo weinig mogelijk te verraden van de kruidige en onderhoudende details waar deze leerzame kroniek vol mee staat. Waaronder de beschrijving van mens en dier, hun bereiding, methoden van roof, gevangenneming, marteling, doding, ontsnapping, de Boodschap en Goedheid van de Heer en dan noem ik nog maar het minste.