Greetings Home
  PHiLES home
 Bert Tells What He Reads
  English version

Crtd 13-06-18 Lastedit 17-02-25
download pdf

Cartesiaanse Nachtmerries
Hoe Descartes 45% scoorde op de Leidse lijst van verboden stellingen
 

 

Op de ochtend van 17 januari 1676 hangt ineens overal in Leiden (een halve dag stroomafwaarts vanaf mijn plek aan de Linge) een plakkaat met een lijst van 20 verboden stellingen. Je kunt er al een lezen vóór je door de stadspoort binnen gaat. Hoogleraren die een van deze stellingen "ventileren" zullen voortaan op staande voet worden ontslagen. Het plakkaat komt van Curatoren van de Universiteit. 9 van de 20 verboden stellingen komen uit het werk van Descartes, de belangrijkste filosoof in het Europa van de 17e eeuw. Mijn vraag is: hoe kwamen deze negen in de top van een selectie van kennelijk nachtmerrie-verwekkende geleerde posities? Ik lees de verdediging van deze stellingen in Consideratien, over eenige saecken onlanghs voorgevallen in de Universiteyt binnen Leyden, het staat in pdf bij Google, van Abraham Heidanus, professor te Leyden. 


... plakkaat ...

De golf die dit incident veroorzaakte ontstond in 1672. Vier jaar eerder. Het rampjaar. Nederland wordt van Zuid, West en Oost aangevallen. Frankrijk en de Duitse buurstaatjes werden al lang in de gaten gehouden maar dit was toch als bij donderslag, want de Nederlandse diplomatie in Londen had de overgang van Engeland naar die coalitie volledig gemist of althans rapporteerde het tegendeel [Rowen, John de Witt, Princeton 1978, 725,731] en de samenwerking tussen de rest onderschat. Wij zijn in het stadhouderloze tijdperk, waarin je in de ogen van de hoge handelsheren geld verdiende middels vrede en handelsconcurrentie, dus concurrenten een slag voor zijn in kennis, vaardigheden en technisch vernuft, en niet, zoals de algemene overtuiging was in alle Europese adellijke kringen, tot de Oranjevazallen toe, middels oorlog voeren en belasting heffen.

Holland, de provincie met het geld, hield onder leiding van Johan de Witt de landmacht klein maar fijn, want met grote staande legers krijg je aantrekkelijke krijgsopties, en vroeg of laat de lobbies om die ook maar eens te benutten. Dat was ook een belangrijke reden om het zonder stadhouder te doen, want de positie van een stadhouder maakt hem als vanzelf een belangrijke voorvechter voor het landleger. En zolang England niet ... maar wel dus. En dat werd pas duidelijk toen er geen tijd meer was om het landleger te versterken. Terwijl Lodewijk XIV optrok en zelfs Utrecht bezette, werden in het nog niet bezette deel de vredeskampioenen onder de regenten bruusk opzij gezet. Velen kregen agressief huisbezoek. Willem III net volwassen, werd stadhouder. De macht werd gegrepen door Oranjegezinden, doorgaans simpele streng gereformeerde zielen en meest bepaald niet uit de rijke verlichte top van de handelselite onder de regenten, al draaiden velen daarvan gezwind op de nieuwe wind.

Onder de Witt was het vrede, geloofstolerantie, en "ware vrijheid", plots was alles wat de klok sloeg weer recht van geloof en bereid te sterven voor Oranje en vaderland. Johan de Witt had niet opgelet in Londen, maar zou hij, toen zijn positie door de interne gereformeerd-Orangistische opstand ondergraven was, werkelijk niet hebben beseft dat hij zijn broer Cornelis, die in de chaos even gevangen was, niet zomaar even van de poort kon gaan ophalen? Ze werden ter plekke vermoord, als dieren geslacht en gedeeltelijk opgegeten (Wikipedia: Moord_op_de_gebroeders_De_Witt). Doordachte zelfmoord? Sommige iconen van het stadhouderloze tijdperk vluchtten naar Antwerpen, toen Spaans. Hoewel die stad zijn haven sinds jaar en dag door de Republiek geblokkeerd had gezien, was voor het ogenblik veilig voor de subtop: Lodewijk was ver in het Oosten door de Spaanse Nederlanden getrokken en via de Rijn Nederland binnengevallen. Maar die de Witten, waar konden die heen nu het zover was? Misschien Denemarken. Maar hoe kom je daar? Met familie? Ik denk dat ze het gewoon hebben opgegeven. Dit zijn geen lieden die in shock apatisch worden.

De Republiek overleefde ternauwernood. De grote mannen van het stadhouderloze tijdperk stonden volstrekt buitenspel. Willem met de macht en de regenten met het geld waren natuurlijk op elkaar aangewezen maar de regenten begrepen dat er een nederigere en strenger Calvinistische toon aangeslagen moest worden, en ach, ze wisten nog wel hoe dat moest.

De mongolen voor Bagdad

Terug naar die ochtend in Leiden en die plakkaten. Een dikke drie jaar na de coup en de ternauwernood overleefde oorlog, begin 1676, waren de strenge Calvinisten, de "Voetianen", nog fel bezig op de aanstellingen en functies van ruimdenkende, verlichte vaak "Cocceianen" genoemde predikanten, theologen en zelfs filosofen uit de tijd van de Witt te jagen. De kloof tussen deze kringen bestond officieel uit verschillen in geloofsartikelen zoals of de wonderen (bijvoorbeeld het even stil houden van de zon door God om medewerking te geven aan een gebeurtenis op aarde) in de Bijbel letterlijk zijn geschied of dat de betreffende Bijbeltekst als metafoor moet worden gezien. Of de zon om de aarde draait, zoals de Bijbel zegt, of andersom, etc.

Maar de echte oorzaak zat hem in het persoonlijk en sociaal profiel van de betrokkenen. De verlichte partij bestond uit geoefende geleerden die op de hoogte waren van de laatste  wetenschappelijke ontdekkingen en standpunten van hun tijd, en vaak uit hoofde van hun beroep zelf onderzoek deden: het catalogiseren van planten en dierensoorten, de scheikunde, anatomisch onderzoek, sterrenkunde, optica, en wiskunde. Ook deelden zij de nieuwe voorliefde om instrumenten te ontwerpen en verbeteren voor experimenten zoals  horloges, telescopen, microscopen, thermometers en barometers. Men had geleerd de natuur te bezien vanuit de vraag hoe het alles "van nature" werkt, een onderwerp dat in de kerken zelden werd aangesneden.

Dat bracht hen vanzelf in conflict met Bijbelpassages indien letterlijk opgevat: een zon die even door God wordt stilgezet, bosjes die spontaan in de hens gaan om vervolgens een redevoering af te steken etc. etc. Maar erger nog, het leidde tot een algemeen nadenken over de methoden van het vinden van de waarheid. René Descartes, in Nederland komen wonen om wat afstand te hebben van het agressieve en stupide Franse katholieke fundamentalisme, werd in die kringen alom gelezen en vereerd. Hij was 16 jaar eerder op 54 jarige leeftijd overleden, maar bijvoorbeeld de Leidse theoloog Heidanus die straks aan het woord komt had hem nog goed gekend. Descartes' invloed reikte tot in de theologie, waar Coccejus zijn gedachten benut had voor zijn rationalistische Calvinistische Bijbelinterpretatie.

Het gros der "Voetianen" kwam uit een heel andere wereld. Van hen kon je geen belangstelling of opleiding in het onderzoek van natuurverschijnselen verwachten. Zij beschouwden dat ook doorgaans als zinloze bezigheid want alles wat men weten en leren moest stond immers in de Heilige Schrift. Simpele zielen die geen enkele intellectueel verweer hadden tegen de bevindingen van de nieuwe wetenschap, toen nog "filosofie" genoemd. In Voetiaanse kringen, waar Coccejus vaker duivelsangsten opriep dan werkelijk begrepen werd, konden Cartesiaanse en Coccejaanse argumenten en gedachten slechts agressie veroorzaken.

Hoewel sub rosa de regenten, overleggend met het hof via enkele acceptabel bevonden gezichten, met hun  ongelooflijke geldkranen - ruim voldoende om Frankrijk te veroveren hadden zij daar een voordeel in gezien -  snel wat discrete zeggenschap verwierven, waren deze "Voetianen" de macht van het nieuwe Oranje-regiem. Hoe ver zou men gaan in de strijd tegen de geleerden en onderzoekers? De mannen die de cartografie, navigatie, marine militaire techniek, ja eigenlijk alles op het peil hadden gebracht dat voor de beslissende voorsprong van de Nederlanden in de verre zeehandel had gezorgd? In 1676 achtten de Orangisten de tijd gekomen de Universiteit van Leiden aan te pakken, de beste internationale universiteit van de wereld op dat moment: zij stonden als het ware voor Leiden als eens de Almohaden voor Cordoba, de Mongolen voor Bagdad. 

De druk werd opgevoerd, Willem besloot zijn Orangisten hun gang te laten gaan en ratificeerde een lijst van 20 "posities" die voortaan in Leyden niet meer "geventileerd" mochten worden op straffe van ontslag en uitwijzing. Curatoren scheten bagger en namen met algemene stemmen het verbod aan. Een deel van die 20 lijken op het eerste gezicht uit het Coccejaanse kamp in de theologie, maar negen kwamen rechtstreeks uit het werk van Descartes. en de vraag is dan: hoe kwamen deze negen in de top van een selectie van kennelijk nachtmerrie-verwekkende geleerde posities?

Ik lees hier een soort verweerschrift van de Nestor van de Leidse theologie op dat moment, Abraham Heidanus. Ik zeg "een soort", want de voltallige senaat had om gelegenheid tot verweer verzocht onder overlegging van een document en dit was geweigerd. Wij weten niet wat er heen en weer gefluisterd werd, Curatoren waren geen pasbenoemde Oranjezetbazen, maar de senaat kreeg zijn verweer retour. Curatoren hadden het "niet gelezen". Heidanus' boekje vond in arren moede, maar misschien ook wel als een slim gebruik maken van de gelegenheid om propaganda te maken voor het rationalisme in bredere lagen van de bevolking, in forse oplagen zijn weg, op zijn minst naar de zenuwachtig roddelende gemeenschap van wetenschappelijke onderzoekers en uitvinders binnen en buiten de universiteiten.  

Abraham Heidanus op de barricaden voor de rationaliteit

Het merkwaardige van de diskussie - als het al zo heten mag - is de cultuurkloof tussen de twee partijen. De Voetianen waren dan wel aan de macht maar zouden nooit kunnen bedenken en schrijven waar Heidanus nu mee te voorschijn komt en ze kunnen er dus niet op antwoorden. Ze waren geen partij  in het intellectuele spel. In het spel "afgelopen uit of er zwaait wat" hadden ze, in de oranje omstandigheden, goede kansen, maar waarop? Op die van een gorilla om zich meester te maken van de leidsels en een span paarden te gaan mennen.

Maar goed, zo werden gorillaas als Clovis ook koning van Frankrijk, Abu Ya'qub Yusuf de Kalif van Cordoba ("Ik ben hier de baas, ehmmm ... vertel mij eerst hoe dat moet ...", "... welzeker Sire ... "). Als Heidanus een stukje van de geroosterde de Witt aangeboden zou zijn zou hij het niet door de keel hebben gekregen. Menige Voetiaan bleek daar geen moeite mee te hebben gehad. Een van de roosteraars van de gebroeders de Witt werd door een zetbaas van Willem in de vroedschap van Hoorn gezet  [Kooijmans, L., Onder Regenten. De elite in een Hollandse stad. Hoorn 1700-80, Dieren, 1985), p. 43].

AH over het verbieden van "posities" in het algemeen (1-49)

Heidanus - zijn boekje Consideratien, over eenige saecken onlanghs voorgevallen in de Universiteyt binnen Leyden staat in pdf bij Google - toont rustig zijn ware vrijzinnige gezicht, maar soms ook is zijn retoriek bedoeld om de strengen te laten zien dat hij en zij toch altijd bij elkaar gehoord hebben. Dit leidt tot logische spanningen in zijn betoog. Want herinneringen aan het samen "strijden" tegen de katholieken, socinianen, remonstranten en andere ketters staat wat in contrast met het pleiten, wat hij hoofdzakelijk doet, voor het wegen van alle argumenten van wie ook, en langs rationele weg het goede behouden, hetgeen tot veler geluk en tevredenheid steevast redelijk recht in de orthodoxe Calvinistische leer uitkomt. Dat kan toch geen toeval zijn.

Juridisch is de oekaze ook niet uitvoerbaar, stelt Heidanus tenzij in willekeur, despotisch. Immers het zou een onwerkbare noviteit zijn als iemand bij een een "overtreding"  in een of ander ingewikkeld academische debat er mee belast zou worden op een fluitje te blazen.

Heidanus ziet het plakkaat ook als een overtreding van het principe, door vriend en vijand erkend, dat alleen de Heilige Schrift zekere waarheid bevat, en dat nog lang niet alles daarvan absoluut gekend moet zijn om een goed christen te wezen. I.h.b de formulieren (Formulieren van Eenigheyt te weten, Confessie, Catechismus, en Canones Synodi Dordracena) zijn geen zekere waarheid. Heidanus heeft ze ook getekend, maar is als alle ondertekenaars een feilbaar mens. Voor zover deze formulieren de Openbaring niet zuiver herhalen bevatten ze geen absolute zekerheden. Ik ken geen antwoord van de Voetianen, maar dat zou niet moeilijk zijn: wij zijn ook niet zeker maar als je het weer doet ontslaan we je wel.

Heidanus: de 9 Cartesiaane posities stuk voor stuk

Van de 20 verboden posities behandel ik alleen de 9 die recht uit Descartes komen. De rest gaat over theologen. Die interesseren mij niet, al is Heidanus er zelf een.

Verboden Positie 6 van het plakkaat: Dat het klaer en onderscheiden begrip, in zaken van geloof, een regel en maet der waerheyt is. De uitdrukking clare et distincte leert ieder die zelfs maar de kortste inleiding op het denken van Descartes bestudeert. De gedachte is dat een zaak eerst helder en duidelijk moet zijn vóór het mogelijk is over de waarheid ervan te oordelen. Velen nu halen hun schouders op en kunnen er niet meer in zien dan een volstrekte vanzelfsprekendheid. Maar ziet! Het is de allereerste der 9 verboden Cartesiaanse posities in het plakkaat!

Waarom zat dit de fundamentalisten zo hoog? Omdat de grote Bijbelse waarheden als de heilige drie-eenheid en de menswording van God in Christus de eenvoudige gelovige juist overweldigen omdat zij hem vervullen van onbegrip. En dergelijke zo imponerend onbegrijpelijke zaken zouden dus niet eens voor een waarheidsanalyse in aanmerking komen, als het ware in de kwalifikatieronde al afvallen?

Descartes besefte het gevaar vanaf het begin en voorzag er in. Hij reikte zijn hand maar hield hem te hoog. Heidanus hurkt om het nogmaals uit te leggen: wat inzake de duisterheden der Bijbel helder en duidelijk is, is het feit dat hier sprake is van Gods eigen openbaring, en dat God niet liegt (hier leze men Descartes hoe hij daar bij komt, ik bemoei me daar niet mee, het is zo al erg genoeg). Dan kan de materie of de geopenbaarde zaak zelf duister zijn maar door de helderheid en duidelijkheid van de openbaringsstatus weten wij toch dat het waar is. De black box is "klaer en onderscheiden", dus wat er uit komt moet je aannemen, in voor- en tegenspoed. Dat was aan de fundamentalistische auteurs van het plakkaat even ontsnapt, stelt Heidanus. Maar zelfs dan moet het, lijkt mij, voor een simpele gelovige een schande zijn dat zo'n gevaarlijke geleerde als Descartes met de Bijbel langs de rand van de afgrond kan lopen om Hem dan net op het laatste moment even te redden met iets dat Horatius zeer passend zou aanduiden als een deus ex machina.

Verboden Positie 11: dat de Werelt uyt zekere beginselen als zaden voortgekomen is. Ja, je moet ook wel panisch als voor de duivel worden als je denkt dat ze dat in Leiden zeggen terwijl je in de kerk geleerd hebt dat Genesis Gods eigen verslag van Zijn schepping is. Hier citeert Heidanus Descartes zeggende in geschrifte dat Genesis buiten kijf is, Adam en Eva à bout portant geschapen als volwassen mensen etc., maar dat het "beter is, om de natuur der Planten ende der Menschen wel de verstaan, dat men dezelve aanmerkt, zoo als ze allengs uit zekere zaden konnen voortkomen, als datmenze aanziet, zoo alsze van den beginnen geschapen zijn".

Het allengs zal hier betekenen "zoals het na de schepping met de natuur verder is gegaan". In dat "allengs" zit Descartes er niet ver naast. Men wist zulks al milennia van planten, van zwangerschappen en babies had men zeker enige kennis, en een jaar na deze Leidse wildenherrie legde Anthonie van Leeuwenhoek zijn zaad onder zijn nieuwste eigengemaakte microscoop en zag zijn eigen spermatozootjes spartelen. Ziet hoe ook hier Descartes taktvol een handreiking doet aan de Heilige Schrift, en hoe hij zijn hand deze keer laag genoeg hield om zelfs door de simpelste fundamentalist gegrepen te kunnen worden. Begrepen die zelfs deze handreiking niet, of hadden ze hem dóór en passeerden zij daarom een door hen hypokriet geachte Ode aan de Schrift voor citering? Heidanus grijpt de kans die de omissie bood en roept zegevierend: "....is soo veel als te zeggen ...dat neen jae is, ...".

Verboden Positie 12: Dat de zelve [de wereld] oneyndigh van uytbreydinge is, zoo dat het onmogelijk zy, dat daer meer Werelden zouden konnen zijn. Heidanus wijst er op dat Descartes de wereld niet oneindig noemt doch onbepaald omdat de laatste term eerder op een onbekend zijn van grenzen zou duiden. Hij stelt dat er is geen voldoende reden is om tot oneindigheid te besluiten maar een voldoende reden voor eindigheid ontbreekt eveneens.

Deel 2 van de stelling beschouwt Heidanus als semantisch: bedoelt men "aarde" dan kunnen er meer zijn, doch Descartes had het over het universum, het "geheel al", zoals Heidanus zegt. Daar kan per definitie niets buiten zijn. Waarom deze kwestie de simpelen van gereformeerde geest zo hoog zat wordt geheel niet duidelijk. Het zou ervaren kunnen zijn als een theologische positie die niet in de Bijbel staat, zodat de heer Descartes zou kunnen zijn verweten hier de openbaring op eigen houtje te hebben aangevuld.

Verboden Positie 13: Dat de Ziel van den Mensch niet dan een gedachte is, ende dat die wech genomen zijnde, de Mensch nochtans zoude konnen leven en beweegt worden. Heidanus wijdt aan deze positie 7 paginaas, dat is meer dan aan de meeste. Hij voelt zich van het begin af zeker dat de eenvoudige gelovige die hierdoor geschokt is zich bij een "gedachte" iets vluchtigs voorstelt dat snel voorbij is, dus dat de eeuwigheid van de ziel zou worden betwist. Hier besluit Heidanus maar weer rustig neer te hurken om uit te leggen wat is bedoeld, in het vertrouwen dat zulks tot geruststelling zal leiden - jammer dus dat wederpartij zijn geschrift zonder lezen heeft teruggeven! - : zoals het lichaam bestaat door zijn uitbreiding, zo bestaat de ziel door het denken. Denken is een substantie waar gedachten uit bestaan zoals uitgebreidheid een substantie is waaruit lichamen bestaan. Levende lichamen evenwel sterven, maar de ziel is een eeuwige gedachte. Daar is niets engs aan dus.

Deel twee van de verboden positie, over het mogelijk leven en bewegen van zielloze menselijke lichamen klinkt wel heel erg spooky, en Heidanus stelt dat de meest dwalende Descartes aanhanger zulks nog niet beweerd kan hebben. Hij tracht slechts duidelijk te maken hoe absurd en contradictoir dit gedeelte van de stelling is. Wij, moderne lezers, zouden met onze verlichte eigentijdse neurologie zelfs Heidanus van schrik in draf de stadspoort uit kunnen jagen ... Des te gemakkelijker omdat volgens Descartes de ziel in de pijnappelklier zetelt, en men die tegenwoordig, al is het niet direct aan te bevelen, zonder verdoving onder mijn hersenen weg kan peuteren en op sterk water zetten zonder dat ik mijn conversatie hoef te onderbreken.

Verboden Positie 14: dat tot de menschelijke nature niet behoort als dencken. Storend wellicht voor de eenvoudigen van geest, indien zij concluderen dat juist hun zwakke punt hiermee bij uitsluiting tot de menselijke natuur wordt verheven, maar een dergelijke conclusie moet zelfs voor hen te belachelijk zijn. Heidanus drukt zich scherper uit: "... zulke stellingen ... geexamineert zijnde, lichtelijck zoodanigh zouden bevonden worden, datze onmooghlijck vallen konnen in eenige harssenen, daar 't minste verstand in is." Heidanus pas op!, de verse stadhouder Willem III heeft ze van te voren te lezen gekregen en goedgekeurd, je solliciteert naar een dag schavot! ...

Heidanus herhaalt dat Descartes de op aarde levende mens beschouwt als een eenheid van lichaam en ziel, begint een paar regels eerder Descartes voor te lezen, waardoor blijkt dat het ter plekke over de natuur van de ziel gaat, die een paar woorden later kortweg als "natuur" wordt aangeduid. Om zuiver Cartesiaans te zijn had in de verboden positie in plaats van "menschelijke nature" moeten staan "de natuur van de menselijke ziel", en waren wij gewoon in herhaling van het eerste deel van verboden positie 13, die, zie aldaar, berustte op een misverstand van het Cartesiaanse begrip "gedachte".

Verboden Positie 15:  dat de wille des menschen waarlijk vrij is, en ten aanzien van de voorwerpen zoo wel on-eindigh als de wille Godts. Hier heeft Heidanus het moeilijk. Hij wil Descartes niet afvallen, maar moet daarvoor toch bijna even flink rukken en trekken aan de interpretatie als hij zijn wederpartij bij de andere stellingen toedicht. Hij verbetert eerst maar eens de vertaling van het Latijn naar het "Duyts": "Dat des Menschen wil absoluit of t'eenemaal vry en onbepaalt is, en ten aanzien van de voorwerpen zoo wel oneyndig als de wille Gods." En gaat dan hangen aan de betekenissen van vrij en oneindig.

De vrijheid zou bij Descartes geen betrekking hebben op "de wille des menschen, voor zoo veel ze tot God haar opzicht heeft". Maar het uitgebreide bewijs via reductio ad absurdum hiervan, dat ik oversla, is zuiver Heidaniaans en kun je bij Descartes zo niet vinden. Zo doceert hij over het verschil tussen "natuurlijke" en "vrijwillige" oorzaken, waarover "alle Theologanten en Philosophen" het eens zouden zijn. Heidanus draait hier, ik vermoed to leedwezen van Descartes, de vrijheid zo flink de nek om dat er daar niet veel lucht meer te halen is.

Dan de oneindigheid van de menselijke wil. Wat is dat? Hij geeft de tekst waaraan wederpartij aanstoot heeft genomen, maar gaat meteen en zonder commentaar over naar de vierde Meditatie van Descartes, want daar zou het beter staan, want Descartes schrijft daar slechts dat hij geen "palen" kan zien die zijn wil beperken en "dat wy gevoelen door geene uyterlijke macht" tot onze wil bepaald te worden. 

Daar moeten we het mee doen. Misschien had hij moeten toegeven dat Descartes de vrijheid van de menselijke wil te hoog had, maar zich toch ook wel eens mag vergissen. En de Leidse professor die de fout niet meteen ziet hoef je toch niet meteen met ontslag te dreigen. Spinoza zou Descartes korte tijd later rechts inhalen door te bewijzen, uit volstrekt onbijbelse en voor een flink deel Cartesiaanse premissen, dat vrijheid van de wil onmogelijk is. Maar met dat bewijs ging hij wijselijk de straat niet op, je kunt het ook overdrijven, tenslotte, als die Calvinisten eenmaal de duivel zien, zien ze die licht ook in zijn tegendeel.

Verboden Positie 17: Dat wij de macht hebben om ons te wachten, dat wy noyt dwalen. Ende dat de dwalinge maer in de wil bestaet. Wat is hier het erge van? Waarom dit bij de 20 stenen des aanstoots? Heidanus vermoed dat het erin zit dat wederpartij dit duidt als dat wij sinds de zondeval alleen maar dwalen en zondigen omdat onze wil verkeerd staat, niet omdat hij te zwak zou zijn (waar men het in die kringen kennelijk liever op zou houden).

Heidanus zoekt dus weer licht tussen deze verboden positie en de brontekst van Descartes die schrijft (Heidanus vertaalt): "Ick bevinde in mij een zeekere macht om te oordelen, welcke ick, gelijck oock alle andere dingen van Godt gekregen heb; en alsoo hy my niet en wil bedriegen, heeft hy my voorwaar zodanige macht niet gegeven, dat ick, oock wanneer ick de selve recht gebruyk, zou kunnen dwalen." Wie kan ontkennen dat God ons een macht heeft gegeven om te oordelen?, roept Heidanus. En "recht gebruyck", daar zit hem dan de kneep, want dat dat zeker tot het vermijden van dwaling leidt is wiedes want hoe kan het "gebruyck" anders "recht" geweest zijn? Net als wie kan rekenen toch een fout kan maken, als hij zijn kunst per ongeluk even niet "recht gebruykt". Zelf denk ik dan: als Descartes het werkelijk zo ledig bedoeld had als Heidanus hier stelt, was ik hier nu toch gaan sympathiseren met de eenvoudigen van geest.

En wat deel 2 van de verboden positie 17 betreft: "de dwalinge" bestaat slechts in de wil als je het oordeel waarin men dwaalt bij de wil rekent, en niet als je dat niet doet. Simple comme bonjour.

Verboden Positie 18: Dat men van alle dingen, oock van het wezen Godt, moet twijffelen, zoo dat men die dingen daer men aen twijffelt voor valsch houdt. Nu beseft Heidanus dat hij het moeilijk gaat krijgen. Hij gaat het record (op afstand) van 18 pagina's wijden aan een heldhaftige poging om de rechtgelovige plakkaatplakkers met de Cartesiaanse twijfel te verzoenen. De simpelen van geest zouden deze verboden positie 18 volgens Heidanus zo lezen dat "dat men van ... dingen, oock van de wezentlijckheyt Godts, moet twijffelachtich zijn, jae dat men alle die dingen ende oock de wezentlijckheyt Godt voor vals moet houden". Maar, schrijft Heidanus, na zijn tegenstanders aldus aardig wat meer in de mond te hebben gelegd dan wat daar uit gekomen was, zelfs in ene wel-gestelde Republijcke" zouden mensen die zoiets beweren uitgezet moeten worden. Ook voor Heidanus zijn er grenzen potverdriedubbeltjes!

Zo vergt de zaak der twijfel "daer men zoo veel waters eenige jaren herwaarts mede vuyl ghemaeckt en noch vuyl maekt" dat hij de zaak "van zijn beginne" ophaalt. Is het niet enerverend om bij de Cartesiaanse methode van de twijfel eens niet te denken aan een ongezond ogende student die gapend al weer aan zijn volgende tentamen denkt maar eerder aan een Danton tegenover het met de valbijl klaarstaande Comité du Salut Public?

Waarom, beginnen met twijfel aan alles? Omdat, buldert onze retor, men met het stap voor stap wegnemen van de twijfel en beredeneren van zekerheden iedereen mee wil voeren, hoe sceptisch ook, hetgeen het niet onbelangrijke voordeel heeft dat men nadien zelf ook zeker weet dat niets simpelweg is aangenomen in ondoordacht vertrouwen, dat immers misplaatst zou kunnen zijn.

Heidanus neemt 18 bladzijden om fundamentalisten er van te overtuigen dat je zo beter uitkomt dan wanneer je gewoon meteen de Bijbel gaat lezen. Ik had mijn twijfels, maar die smolten in eerste instantie waar Heidanus meteen grote hoogten bereikt: men haalt de dolende scepticus uit zijn zondige twijfel door samen met hem in twijfel te beginnen en hem dan één voor één zijn zekerheden te geven. Een daad van Opoffering en Christelijke Naastenliefde! In een ommezien is de sceptische medemens gered met de zekerheid dat er een God is, de menselijke ziel en zijn lichaam onderscheiden zijn.

Ten tonele komen vervolgens de Heiden, de Juwelier, de Wiskundige en natuurlijk Descartes zelf: wanneer met een heiden tot het Christelijk geloof wil brengen kan men hem toch niet simpelweg de Bijbel gaan voorlezen? Voordien moet de heiden toch begrijpen waar die Bijbel vandaan komt etc.? De juwelier die een doos gemengde stenen heeft waaronder diamant, en slechts de diamanten wil behouden, stort de doos toch ook eerst in zijn geheel uit op tafel, om vandaar de echte diamanten in de doos terug te leggen? En wiskundigen, bewijzen zij niet vaak geduldig dingen die zij voor zichzelf niet meer zouden hoeven te bewijzen?,  "mach men niet onderzoeken, welcke de krachtste argumenten zijn, om de wezenlijkheid Godts te bewijzen?", en, citeert hij Descartes: "in de Schriftuure zelfs worden de menschen dickwils genoodicht, om de kennisse van Godt door natuurlicke reden te verkrijgen". Alleen degeen die eerst als te bewijzen, dus als vooralsnog onbewezen, heeft aangenomen dat de som van de hoeken van een driehoek 180o is, en het dan bewijst, weet het zeker. Wie het van horen zeggen aanneemt heeft geen zekerheid.

Maar het blijft voor mij als een paal boven water staan dat de deze boodschap aan de Calvinistische fundamentalist, met zijn klaar en onderscheiden inhoud dat men kan Bijbellezen tot men stijf staat maar van de oneindige "wezenlijkheid Godts" niet het kleinste eindige stukje zekerheid kan hebben zolang men niet in eigen persoon door de molen van de Cartesiaanse twijfel is geweest, niet te verkopen is, al heet je Heidanus.

Er volgen nog 9 bladzijden over de twijfel, die ik maar oversla want ik kan niet meer aanzien hoe de arme Heidanus hier Curatoren alle reden geeft hem te ontslaan en de stad uit te wijzen. Wat ze tot hun en zijn geluk niet hoefden te doen want ze hadden het immers "niet gelezen".  Oftewel, de ramptoerist verwijs ik kortheidshalve naar Heidanus Consideratien p. 125-134.

Verboden Positie 19: Dat wy een Denck-beeldt van Godt hebben, dat zijn wezen, zoo als het in zich zelven is, uytdrukt. Dat mag dus ook niet. Zij we nu weer te ver van de twijfel af, aan de andere kant van het smalle pad geraakt? Hoovaardij? Descartes in H's vertaling "De Idea van Godt is in my, hebbende alle die volmaektheden, die ick wel niet en kan begrijpen, maer evenwel op allerley manieren met mijne gedachte, zijnde geen gebrecken onderworpen, kan bereyken."

Heidanus kastijdt met heftige etikettering ("onwetendheid, ... de vuylaardigheyt van deze luy, ... de vuylste ontrouwigheid") wederpartij voor het opzettelijk verdoezelen van het onderscheid tussen een adaequaat idee, dat een mens kan hebben, ook over God, en een volmaakt of volledig idee, wat alleen God zelf kan hebben. Hij citeert goedkeurend een "Philosooph": "Die d'ingebooren Idea, of denck-beeldt van Godt verwerpt of verwaerloost, die stort zich nootzakelijk in Atheisterije". Nu is wederpartij dus zelfs atheist. Dieper in de Heerengracht kun je niet liggen.

Slotmeditatieën

't Is puur de schrik, leert de geschiedenis. Alles wat een fundamentalist nodig heeft, als hij niet te dom is, is tijd. Om wat dingen aan te horen en er wat over na te denken. Clovis liet zich uiteindelijk dopen. Abu Ya'qub Yusuf liet toen hij ziek werd, de Coccejaan (avant la lettre) van Cordoba roepen: Ibn Rushd. Want die was algemeen geleerde, dus ook arts. En na wat ontspannen gesprekken over het verschil tussen de autochtone Cordobaanse Almoraviden en de pas binnengevallen barbaarse Almohaden van Abu Ya'qub Yusuf werd Rushd ineens benoemd tot qadi. Geef ze wat tijd. Het komt vanzelf. Het is in hun eigen belang.

Toen Willem III in 1688 zijn vermoeide achterwerk op de Engelse troon liet zakken had hij al lang in de gaten dat je niet bij de Voetianen moest wezen als je je kanonschot preciezer, verder en efficienter in kruitverbruik wilde maken, maar wel om hem af te schieten, en was hij inmiddels een kampioen van de religieuze tolerantie, met een aktief, doordacht en praktisch beleid tegen fundamentalisme, zowel in Engeland als in de Republiek.

Die Curatoren kunnen ook gedacht hebben: laat ze dat ridicule plakkaat overal plakken en tevreden naar huis gaan, binnen een jaar is het vergeten want de dommen onder hen voelen zich hier niet thuis en verdwijnen, en de slimmen raken geinteresseerd. Zo ja, gelukkig maar voor onze historische kennis van de Descartes-receptie dat Heidanus dat niet door had.

Zo'n plakkaat! Als het nog ergens was zou ik het een keer op 1 april weer eens overal in Leiden willen aanplakken.

Echter: wat de toenmalige Descartes-receptie betreft biedt mijn studietje eigenlijk niet echt het gehoopte nieuws: het is al vaak genoeg uitgelegd dat de "oefening" van de methodische twijfel, het clare et distincte, in een wereld van Openbaring en autoriteit een angstwekkende stap naar een onafhankelijk individualisme in de oordeelsvorming was, en wel degelijk de introductie op het schip inhield van een tweede kapitein, die, naar wij nu weten, de oude er uiteindelijk af zou duwen. Zo slecht voelden de woedende orthodoxe gereformeerden dat niet aan.

Het zeer blijft beperkt zolang de rationalist zijn oefeningen in stilte doet, maar als men het universele nut ervan in het openbaar gaat belijden is Leiden in last. Dit werd beseft en de geleerden hielden het daarom meestal bij Latijn, terwijl het protestantse volk door de kerk dom werd gehouden met onderricht in het lezen (letterlijk read only!) van de Nederlandstalige Statenbijbel. Die taaldijk was niet voor niets opgeworpen. Maar hij was op den duur niet sterk genoeg in deze eerste - door de fundamentalisten! - gealfabetiseerde samenleving ter wereld.

Met dat algemeen leesonderricht was het kwaad geschied: tot verbijstering van de bezoekende buitenlander konden zelfs de dienstmeiden op 't laatst lezen in Nederland, en een ambachtelijke drukker naast de de bakker op de hoek, waar men ook diskussierende lezers kon vinden, werd een normaal stadsgezicht.  Geleerden zagen zich geplaagd door vaak anonieme verDuytsingen van hun zorgvuldig Latijn, niet zelden voorzien van enkele drieste "verbeteringen". Excentrieken zonder enige geleerdheid vatten de pen om, in de enige taal die zij beheersten, het "Duyts", strenge dominees belachelijk te te maken met soms niet slechte zelf gevonden en van de straat geraapte common sense. Heel wat met noest enthousiasme voorbereid drukwerk ging op last van justitie in de hens en halsstarrige auteurs en hun drukkers konden met schurft liggen te kwijnen in schimmelige poldergevangenissen.

Het lek tussen de twee talen, en tussen de twee snelheden in de Nederlandse cultuur, was ook zonder Lodewijk niet meer zo te bemalen geweest dat de fundamentalisten het droog hadden kunnen houden.

Greetings Home
  PHiLES home
 Bert Tells What He Reads
  English version